Sturen op zin in excellent onderwijs


Hoe je kunt sturen door middel van macht of met behulp van prikkels weten we allemaal. Maar sturen op zin die mensen ergens in hebben, hoe doe je dat? In een onlangs  gepubliceerd interview in het Financieel Dagblad geeft onderwijsminister Marja van Bijsterveldt aan hoe je kunt sturen op zin in excellent onderwijs.  

Op het eerste gezicht lijkt het weinig opzienbarends wat deze minister van plan is: zij wil excellente prestaties gaan belonen door scholen sterren toe te kennen. Net als de Michelin-sterren voor restaurants krijgen ook prima presterende scholen voortaan sterren toegekend. Daarmee wil Van Bijsterveldt scholen positief stimuleren. Tot op heden worden namelijk uitsluitend de predikaten ‘zeer zwak’, ‘zwak’ en ‘voldoende’ gegeven. Een staaltje van probleemgericht denken, waarbij het bereiken van middelmaat als hoogste ambitie geldt! De minister kiest blijkbaar voor de oplossingsgerichte variant, waarin het streven naar hogere ambities centraal staat.

So far, so good. Had van Bijsterveldt het hierbij gelaten, dan was er hooguit de zoveelste nieuwe externe prikkel op het onderwijssysteem afgevuurd. De betrokkenen zouden even opgeschrikt zijn en de slimmeriken zouden snel manieren verzinnen om zonder grote inspanningen extra prikkelgelden in de wacht te slepen. Maar Van Bijsterveldt doet meer: in haar plannen stuurt zij consequent op de zin van mensen om excellent te presteren.

Sturen op zin betekent  vier dingen. In de eerste plaats moet je mensen meenemen in je visie en laten zien dat het belangrijk is en loont om op een andere manier te denken en te werken. Van Bijsterveldt doet dat met verve. Zij is ervan overtuigd dat de in het Nederlandse onderwijssysteem ingebouwde middelmatigheid (‘zesjescultuur’) op lange termijn funest is voor het land. ‘We zijn’, zo zegt ze, ‘een hoogvlakte zonder pieken’. Het niveau is goed in de breedte, maar om op te gaan in de vaart der volkeren, moet je ook kunnen pieken. Om dat te kunnen doen, moeten we veeleisender worden voor elkaar. Dat is niet alleen goed voor de economie, maar ook voor de vorming van mensen zelf. Excellent onderwijs is immers de toegang tot andere werelden. En die toegang moet je wel verdienen.

De tweede factor die bepalend is voor sturen op zin betreft het feit dat mensen op positieve wijze geraakt worden en dat van daaruit nieuwe verbindingen tot stand komen. Om  mensen mee te nemen in haar visie maakt zij niet de fout om slechts vanuit een rampenscenario (‘als wij niet verbeteren, dan…’) te redeneren. Rampen maken negatieve emoties los en daar is niemand bij gediend. Van Bijsterveldt valt niet in de valkuil van de ‘burning platform’ en gaat nadrukkelijk met de betrokkenen in het onderwijsveld in dialoog. Ook  wijst zij bij voorkeur  op positieve voorbeelden. Een daarvan is de instrumentenmakersschool in Leiden, die enkele jaren geleden nog op sterven na dood was. Omdat zowel schoolbestuur als bedrijfsleven het belang van de school inzagen, hebben ze de handen ineengeslagen en is de school er inmiddels op eigen kracht weer bovenop gekomen. ‘Echt klasse’, aldus de minister. 

De derde dimensie van sturen op zin is het hebben van hoge ambities. Die staan in het geval van deze minister buiten kijf. In de toekomst moet het volgens haar vooral draaien om ‘excelleren’, ‘pieken’ en ‘presteren’.  We moeten daartoe ‘veeleisender’ naar elkaar toe worden. We moeten kiezen voor ‘scholen met smoel’, die niet in het grotere geheel verdwijnen. De richting is duidelijk. Of de minister ook een helder beeld heeft hoe die excellente onderwijsomgeving van de toekomst er precies uit ziet, wordt in het interview niet duidelijk. Van Bijsterveldt beperkt zich tot het noemen van een aantal essentiële randvoorwaarden, zoals betere HR-praktijken (docenten die elkaar beoordelen, het houden van serieuze functioneringsgesprekken) en sterker sturen op motivatie (‘leraren die er de kantjes vanaf lopen, kun je beter ontslaan’). Over de onderwijspraktijken van de toekomst, komen we niet echter weinig te weten. Het duidelijker visualiseren van de precieze eindbestemming is een belangrijk aandachtspunt voor haar, want zonder een inspirerend en wervend toekomstbeeld kom je er niet (zonder het beeld van het ‘Beloofde land’ was Mozes er nooit in geslaagd om zijn mensen 40 jaar door de woestijn te laten trekken!).

De vierde en laatste dimensie is dat je je zoveel mogelijk richt op de drijfveren en talenten van mensen zelf. Van Bijsterveldt is hier zeer duidelijk over. ‘Elk talent hebben we nodig en elk talent verdient een kans’, zegt zij. En: ‘het is onze dure plicht het beste uit alle leerlingen te halen, maar ook alles uit de beste leerlingen’.  

Hoewel ze haar ideeën uiteraard nog in praktijk moet brengen, past onderwijsminister van Bijleveldt de principes van sturen op zin consequent toe. Ze heeft een duidelijke visie, probeert mensen positief te stimuleren, streeft naar hoge ambities en tracht mensen te motiveren om daadwerkelijk aan de slag te gaan. Een moedige poging, zeker in het door machts- en prikkeldenken gedomineerde Den Haag. Ben benieuwd hoever zij hiermee zal komen!

Wat geeft jou energie?


Zin als bron van energie


Energie is een ongrijpbaar fenomeen. Het is er wel, maar je kunt het niet beetpakken. Het ene moment bruisen we ervan, het andere moment komen we van lamlendigheid niet vooruit. Ook in het alledaagse taalgebruik is het vaak raden wat energie nu eigenlijk betekent. De taal van managers is rijkelijk doorspekt met energetische aanduidingen. Zo wordt gesproken over vermogens, het opbouwen van een gezonde spanning of het afbouwen van ongezonde spanning, over weerstand, transformatie, energie tanken, stoom afblazen, op volle kracht vooruit gaan en over ´spirit´ die in de tent zou heersen. Maar wat ermee wordt bedoeld? 

In de wetenschappelijke literatuur zijn verschillende pogingen gedaan om menselijke en organisatorische energie te definiëren. Zo omschrijft de Duitse hoogleraar Heike Bruch het begrip als ´de kracht waarmee mensen of organisaties werken en doelgericht dingen in beweging te brengen´. De Amerikaanse expert Tony Schwartz maakt nog een nader onderscheid tussen verschillende vormen van energie: naast fysieke kracht onderscheidt hij mentale, emotionele en spirituele energie. In zijn ogen hebben bedrijven in het verleden vooral aandacht gehad voor de fysieke (hard werken) en mentale component (slim werken). Volgens hem behoeven in de huidige tijd ook de emotionele (plezierig werken) en de spirituele (betekenisvol werken) component van energie meer aandacht. De twee omschrijvingen bij elkaar voegend, kunnen we energie omschrijven als de fysieke, mentale, emotionele en spirituele kracht waarmee mensen en organisaties werken en doelgericht dingen in beweging brengen. Maar waar komt die kracht eigenlijk vandaan? Met andere woorden, wat zijn de bronnen van menselijke en organisatorische energie? in principe zijn dat er drie: macht, manipulatie en zin.

Laten we met macht beginnen en dan meteen verwijzen naar een aflevering van de Britse chef-kok Gordon Ramsay. Je hebt er vasy wel eens naar gekeken. Vloekend en toerend probeert Ramsay eigenaren, koks en bedienden van zieltogende restaurants in beweging te brengen. Dat gebeurt vaak met zichtbaar succes. Door zijn manier van interveniëren verdwijnt de lamlendigheid onder het personeel als sneeuw voor de zon en komen zelfs de meest ingedutte restaurants weer tot leven. Er zit echter een maar aan het verhaal: zodra Ramsay zijn hielen heeft gelicht, vervalt iedereen al gauw weer in de oude fouten. Macht behoeft continue aandacht, anders werkt het niet. En zelfs dan nog zijn er beperkingen aan het gebruik ervan. Een mooi voorbeeld uit de geschiedenis is de weigering van het leger van Alexander de Grote om nog verder te trekken. Op een gegeven moment was het gedaan met de autoriteit, het charisma en de macht van Alexander. Mokkend moest hij zich bij de beslissing van zijn soldaten neerleggen om naar huis terug te keren. Klik op de link hieronder een mooi filmfragment uit de film ´Alexander´ waarin het bewuste moment in beeld is gebracht.

Het stimuleren door middel van negatieve en positieve prikkels is een tweede manier om mensen in beweging te brengen. Controleer op hard rijden en geef mensen die het tóch doen een hoge boete: je zult zien dat er minder hard gereden wordt (tenminste op de plekken waar gecontroleerd wordt…). Houd mensen een zak met geld voort en ze zullen er alles aan doen om hun targets te halen. De huidige beloningssystematiek van bonussen is op deze gedachte gebaseerd. Externe prikkels hebben inderdaad een belangrijke activerende functie. Als je mensen op de juiste wijze beloont, gaan ze harder werken. Althans, dat denkt men. Maar is dat ook zo? In zijn laatste boek ´Drive´ geeft Daniel Pink een indrukwekkend overzicht van tientallen jaren onderzoek dat juist aantonen dat belonende prikkels alleen meer werken in situaties van routinematige arbeid. Maar wanneer creativiteit gevraagd is, werken ze niet. Sterker nog, dan ondermijnen prikkels de creativiteit en intrinsieke motivatie van mensen juist en leiden ze tot minder, en niet tot meer, productiviteit. Daarnaast hebben prikkels nog andere negatieve effecten op het gedrag van medewerkers. Zo leiden ze bijvoorbeeld tot allerlei vormen van ongewenst gedrag: mensen gaan zich meer richten op de beloning dan op de eigenlijke taak, ze gaan met elkaar concurreren in plaats van met elkaar samen te werken en ze plegen fraude om hun doel te halen.

Resteert nog een derde energiebron: zin. Zin is een innerlijke kracht die als voordeel heeft dat zij gratis is.  Mensen hebben van nature zin. Dat geldt trouwens ook voor dieren. Aan het einde van de jaren veertig van de vorige eeuw deed de Amerikaanse psycholoog Harry Harlow  een opmerkelijke ontdekking. Tijdens een experiment naar het puzzelend vermogen van apen, bleken de dieren er zichtbaar genoegen in te scheppen om verschillende puzzels op te lossen, ook al kregen ze daar geen beloning voor. Harlow duidde de onbekende kracht die de apen aan het puzzelen zette aan met de term ´intrinsieke motivatie´. Mede omdat zijn collega psychologen totaal niet geïnteresseerd bleken te zijn in zijn vondst, liet Harlow het thema verder rusten. Pas in de jaren zeventig zou de draad weer worden opgepakt door een onderzoeksgroep rond professor Ed Deci. Hij constateerde dat mensen een aangeboren neiging hebben om nieuwe dingen te bedenken, hun omgeving te verkennen en hun vaardigheden te vergroten. Hij duidde dit aan als de behoefte tot ´zelfdeterminatie´. Dat is een moeilijk woord voor zin.

Als we alles op en rij zetten en concluderen dat er aan de energiebronnen macht en prikkels allerlei beperkingen en nadelen zijn verbonden, en dat zin een gratis energiebron is bron is, waarom wordt dan niet veel meer op zin gestuurd? Het antwoord is simpel: zin is niet alleen een gratis beschikbare en effectieve, maar ook een betrekkelijk complexe en moeilijk te hanteren energiebron. Het sturen op zin brengt nogal wat gedoe met zich mee. Wanneer je het mensen naar de zin wilt maken, moet je er eerst zelf ook zin in hebben. Ook moet je een omgeving scheppen waarin vertrouwen en positiviteit heersen en waarin hun eigen zin kunnen nastreven. Zin kan alleen maar floreren in de context van een zinorganisatie. Anders gaat het niet lukken. Wanneer de organisatie bol staat van competitieve ego´s die elkaar vliegen proberen af te vangen en die zich overgeven aan politieke spelletjes en rattengedrag, heeft sturen op zin geen schijn van kans. In zulke situaties zijn macht en manipulatie veel makkelijker toe te passen. Dat deze bronnen geen blijvende energie opleveren en dat de prestaties ondermaats zijn, wordt echter vaak over het hoofd gezien. Door consequent gebruik te maken van zin als energiebron, presteert 220% beter dan degene die dit niet doet. Zo blijkt uit recent onderzoek van de cijferkoningen van McKinsey. Zulke cijfers zouden managers aan het denken moeten zetten…

Zin, wat is dat?


Zin is in. Overal zoemt het om ons heen van mensen die zeggen er zin in te hebben. Onze minister-president draagt hier graag aan mij: hij laat geen gelegenheid onbenut om te verkondigen dat ook hij er zin in heeft. Zelfs in de managementliteratuur is sprake van een ware ‘zinvloed’. Vaak worden daarbij overigens ietwat mysterieuze termen als ‘spiritualiteit’, ‘mojo’, ‘stralen’ of het chiquer klinkende ‘zingeving’ gebruikt. Waar komt die belangstelling vandaan? 

Dat heeft vooral te maken met het feit dat de prestatielat alsmaar hoger wordt gelegd en dat de noodzaak om te vernieuwen alsmaar groter wordt. Beide vragen om bergen energie: om te presteren en creatief te zijn moet je niet alleen heel wat in huis hebben, maar moet je ook al je krachten aanspreken. Op zulke momenten komt zin om de hoek kijken. Hoewel onzichtbaar en dikwijls onbegrepen, is zin de stille kracht waar het in de huidige economie en samenleving om draait. Maar wat houdt dat in, zin?

Zin  is een containerbegrip, een vlag die vele ladingen dekt. Wanneer we alle mogelijke associaties clusteren, kunnen we vier dimensies onderscheiden:

- Zin als betekenisgeving: onlangs was ik in India en woonde daar de finale van het wereldkampioenschap cricket bij. Omdat ik de spelregels en finesses van deze sport niet ken, ontgingen mij niet alleen de finesses van het spel, maar ook snapte ik niet waarom al die Indiërs om me heen voortdurend in extase raakten. Ik verveelde mij dood. Dat krijg je als je dingen ziet, die je niet in een kader kunt plaatsen en waaraan je dus geen betekenis kunt geven. Dan is alles wat je ziet zinloos. Zin heeft dus in de eerste plaats betrekking op de manier waarop je betekenis toekent aan de dingen om je heen. Betekenisgeven doe je door het stellen van een paar eenvoudige vragen: wat is er eigenlijk aan de hand? Wat kan ik ermee? 

- Zin als emotie: vaak nemen we dingen niet bewust waar, maar we hebben er wel een bepaald gevoel over. Dat is niet verwonderlijk: we voelen onbewust meer dan we bewust ervaren. Zin verwijst niet alleen naar betekenisgeving, maar ook naar de gevoelens die wij over dingen hebben. We hebben bijvoorbeeld ‘goede’ of ‘slechte’ zin. Ook worden we gestimuleerd door ‘zinnenprikkelende’ en ‘zinnenstrelende’ ervaringen. Daarbij moeten we niet meteen denken dat emoties per definitie positief zijn. De meeste emoties zijn negatief. Ze zetten ons aan om te vechten of te vluchten. In de menselijke evolutie vormden ze een belangrijk overlevingsmechanisme. In de huidige tijd van vrede en overvloed zijn die negatieve emoties vaak niet langer zinvol en dienen we juist te streven naar het versterken van positieve emoties. Die zorgen immers voor meer vertrouwen, een betere samenwerking, een betere gezondheid, meer geluk en betere prestaties.

- Zin als doel: als we zeggen dat iets zin heeft, dan bedoelen we daarmee aan te geven dat het een doel en een bepaald nut heeft. Wanneer we van een zinloze activiteit spreken, geven we aan dat het doel in onze ontbreekt. Als dingen geen doel hebben, houden we ze meestal niet lang vol. Bij een psychologisch experiment kregen proefpersonen de opdracht een zoveel mogelijk plastic robots in elkaar te zetten. Na het voltooien van iedere robot werd deze dankbaar door de onderzoeker in ontvangst genomen en voorzichtig op een plateau geplaatst. Bij een tweede groep van proefpersonen werd de robot echter zonder commentaar aangenomen en vervolgens weer in stukken uiteen gehaald, die achteloos in een kist werden gegooid. Welke groep zou nu de meeste robots hebben geproduceerd? De eerstgenoemde natuurlijk, want die verrichten werk dat in hun ogen zinnig was en werd gewaardeerd!

- Zin als motivatie: ‘motivatie’ komt van het Latijnse ‘motio’, hetgeen beweging betekent. Wie gemotiveerd is, komt in beweging. Dat gaat overigens niet helemaal vanzelf, want je moet wel over de juiste drijfveren beschikken. Mensen worden op verschillende drijfveren voortbewogen. Waar de één in actie komt om zichzelf of de groep tegen risico’s en dreigende chaos te beschermen, is de ander vooral gericht op het creëren en in stand houden van langdurige relaties. Waar de één de nadruk legt op het leren en ontdekken van nieuwe inzichten, is de ander vooral geneigd om de mouwen op te stropen en om op pragmatische wijze aan de slag te gaan. Om gemotiveerd te zijn, moeten bepaald activiteiten of opdrachten dus overeenstemmen met de drijfveren die jou in beweging zetten.

Uit deze opsomming van de vier zindimensies, blijkt dat zin meer is dan alleen betekenisgeving, een positief gevoel, passie of het hebben van een doel. Zin is ook méér dan alleen intrinsieke motivatie. Zin is vier dingen tegelijk: betekenis, positief gevoel, doel én motivatie.  De vier dimensies van zin, kunnen niet los van elkaar worden gezien, maar zijn nauw met elkaar vervlochten. We ervaren dingen pas als  ‘zinvol’ wanneer we er een specifieke betekenis aan kunnen toekennen, wanneer we er een goed gevoel bij hebben, wanneer het een bepaald doel dient en wanneer het ons motiveert om in actie te komen. Pas wanneer aan deze vier voorwaarden is voldaan, kun je zeggen dat je er écht zin in hebt. Pas dan fungeert zin ook als ultieme energiebron.

Stop the action!


We leven in een tijd van het ‘nieuw normale’, waarin alles permament onder druk staat, waarin dingen vloeibaar en onzeker worden en waarin de prestatielat alsmaar hoger wordt gelegd. Dat geldt voor individuen, maar ook voor bedrijven. Velen raken door paniek overlamd, steken hun kop in het zand en wachten – tegen beter weten in – op betere tijden. De meesten vallen terug op actionistische oerdriften en gaan in de overdrive. Volgens recent onderzoek is ruim 50% van de bedrijven in de ‘versnellingsval’ terecht gekomen. Dit betekent dat ze steeds méér met steeds minder mensen willen presteren. Dat gaat korte tijd goed, maar na verloop van tijd jaag je je mensen over de kling. Ze komen dan in de ‘hyperzone’ terecht, worden werkverslaafd en gaan gebukt onder stress. Men denkt goed bezig te zijn door keihard te buffelen, maar in feite zijn de prestaties juist ondermaats. Bedrijven die in de hypoerzone zitten, presteren 27% minder, hebben een 19% lagere productiviteit, een 23% lagere klantloyaliteit en een eveneens 23% lagere medewerkersbetrokkenheid. Het loont dus om uit de versnellingsval te komen. Er zijn drie manieren om dit te doen.

In de eerste plaats moet je stoppen met alle activiteiten die er niet toe doen. Stop the action! Houd een ‘grote schoonmaak’ en elimineer alle niet urgente projecten en trajecten (dat zijn er in de praktijk veel meer dan 25%). Het lijkt allemaal makkelijker gezegd dan gedaan, want stoppen is een van de moeilijkste dingen om te doen. Zeker voor managers die alleen maar gewend zijn aan ‘meer’. Maar de kunst van het loslaten is evenzeer een vaardigheid die je moet beheersen. Bij Starbucks huldigen zij in dit verband een gouden regel: ‘unplug before you plug’. Voordat je iets nieuws start, moet je eerst iets ouds laten vallen. Zo houd je de zaken eenvoudig en overzichtelijk! 

Nadat je je ontdaan heb van alle overtollige activiteiten, moet je in de tweede plaats zorgen voor een gedeelde toekomstvisie: bedenk een gewaagd doel (BHAG) dat mensen in je organisatie inspireert en bindt. Zorg dat het écht een doel is waaraan iedereen zich committeert: laat mensen daarom meedenken over het doel, dat creëert begrip en eigenaarschap. Concretiseer het doel, door het op heldere wijze te visualiseren. Maak bijvoorbeeld een filmscript waarin precies staat aangegeven hoe een werkdag eruit ziet wanneer het doel is bereikt. Of maak een krantenartikel waarin staat hoe je bij je einddoel bent gekomen. Het formuleren van een doel is belangrijk, omdat je daarmee gemeenschappelijke energie mobiliseert. Maar een doel alleen is niet voldoende. Je moet daarnaast ook nog weten hoe je je reis gaat invullen, van welke vervoersmiddelen je je gaat bedienen en wie mee op reis gaan. Het antwoord op dit soort vragen mondt uit in  een heldere veranderstrategie. 

De derde stap bestaat uit het vormgeven van een ‘cultuur van discipline’. Je moet je er ook echt aan zetten om collectief de afgesproken doelen te gaan realiseren. Je moet oude neigingen afleren om lukraak te doen wat in je opkomt. Je moet leren samenwerken. Om de kectiek permanent uit te bannen, moet je discipline hebben. Je moet je aan je aan je afspraken houden, transparant zijn over je bezigheden, anderen bij je stappen betrekken en vooral geen onnodige zijpaden inslaan. Om het enthousiasme over het gemeenschappelijke doel te behouden, is het belangrijk om jaarlijks 3 – 5 centrale strategische thema’s (‘Must win battles’) te benoemen, waarop je gaat focussen. Op deze wijze beperk je het aantal projecten op een duurzame wijze en houd je ook nog tijd over om je met de écht leuke en energiegevende dingen bezig te houden.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.